Een stuk werkelijkheid


Ook in een woonst blijft ondersteuning cruciaal!

Op een donderdagochtend ontmoetten mijn collega en ik Miguel, een 43-jarige man die bekend staat om zijn directheid en zijn zeer gevoelige aard. Na meer dan twee jaar opvolging door Straatverplegers heeft hij een nieuwe thuis gevonden en waar hij nu sinds 3 maanden woont. De aanpassing aan zijn nieuwe thuis verloopt evenwel niet zo vanzelfsprekend. Miguel vraagt zich vaak af wat hij er doet. Hij toont zich al snel angstig door het verlies van oriëntatiepunten en door de veranderingen die dit nieuwe dak boven zijn hoofd met zich meebrengen.

Vandaag is een moeilijke dag voor hem: hij is nerveus, ontmoedigd en zeer gesloten. Wij stellen voor hem te vergezellen naar de gemeente of het medisch huis zodat hij zich kan inschrijven. Er volgt een duidelijke “Nee!”, want "hij heeft dat allemaal niet nodig, het is sowieso nutteloos ...!”.

Vervolgens stellen we hem een koffie te gaan drinken, waardoor de spanning afneemt. Dan rinkelt de telefoon.  We vernemen dat Miguel recht heeft op financiële steun voor de inrichting van zijn woning. We toasten met koffie! Door het raam kietelt een zonnestraal onze gezichten en accentueert de kerk aan de overkant van de straat. Miguel is er nog nooit binnengegaan. We betalen de rekening en gaan er meteen naartoe. Na een klein kruisteken met wijwater, loopt hij zwijgend kriskras door de gangen van de kerk, met zijn ogen vastgeklonken aan de koepels en glas-in-loodramen.

Doordrongen van de sereniteit van de plaats, gaan we terug de open lucht in. Een paar minuten later haal ik diep adem en stel ik hem weer eens verlegen voor: "En nu, wat dacht u ervan om een tussenstop te maken in het medische huis? ».  Als vanzelfsprekend antwoordt Meneer mij, een beetje knorrig, "Waarom niet! ».

Mathilde, straatwerker



(Te)Straffe koffie
Jo trok in het voorjaar opnieuw in een woning, nadat hij verschillende jaren op straat had geleefd. Hij is nog jong en heeft regelmatig contact met zijn vader, die ook een tijd dakloos was en nu eveneens weer geherhuisvest. Sinds hij terug een woning heeft, is Jo heel zelfstandig en hij trekt goed zijn plan. Hij krijgt zijn administratie geregeld en stelt alles in het werk om zijn woonst te kunnen behouden.
Hij vertelt me dat hij een fervente lezer is en dat hij geregeld tijd voorziet om thuis, in alle rust, Stephen King te lezen.
 
Tijdens een van mijn bezoeken bij hem, gaan we een koffie drinken in een café in de buurt. De dienster lijkt ons bezoek echter niet erg te appreciëren. Al snel wordt ze bitsig tegen Jo en ze is er duidelijk niet mee gediend dat we in haar café iets komen nuttigen. “Die dame is niet erg vriendelijk”, merkt ook Jo zelf op. Ondanks de gespannen situatie, blijft hij beleefd en voorkomend. Maar wanneer hij om een balpen vraagt, valt de dienster hem verbaal aan: “U bent een onbeleefderik, slecht opgevoed. Je hebt hier niets te zoeken.” Aangedaan vertrekt Jo onmiddellijk.

Maar de agressiviteit van het voorval, de stigmatisering en de afwijzing die Jo moet ondergaan, dwingen me om tussen te komen: “Waarom spreekt u Meneer zo aan, heeft hij ook niet het recht, zoals iedereen, een koffie te komen drinken?”. De dame antwoordt me “dat ze geen sociaal assistente is!”. Ik ben woedend en triest en buiten mezelf door de situatie. Maar uiteindelijk is het Jo zelf die me kalmeert: “Laat vallen, Audrey, het is de moeite niet en bovendien, ik ben dat gewoon...”

Onze patiënten zijn inderdaad niet altijd gekleed, of gedragen zich of praten niet altijd zoals ‘het hoort’. En ik heb al dikwijls gemerkt, wanneer ik met hen in een winkel of café kom, dat dat heel wat weerstand oproept. Maar soms worden patiënten ook gewoon herkend van toen ze nog op straat leefden en daarop beoordeeld. Het is een stigma dat ze soms heel lang meedragen, zelfs al zijn ze al sinds lange tijd uit de straat geraakt.

Hoewel het absoluut niet normaal zou mogen zijn dat ‘hij het gewoon is’, is het toch Jo zelf die uit zichzelf kracht put en de situatie relativeert om me terug op mijn gemak te stellen.
Bravo Jo!
 
Audrey, sociaal-assistente


Handen die rood of paars zijn geworden door de koude, helemaal ruw, handen die hij zo goed mogelijk warm probeerde te krijgen door hevig in zijn handen te wrijven… handen die de tekenen vertonen van alle moeilijkheden die MF dagelijks tegenkomt. Het is hartverwarmend dat hij naar ons zwaait. “Echt bedankt voor het bezoek”. En zo vervolgen wij onze weg naar andere mensen, andere ontmoetingen




De ontmoeting met Mijnheer T dateert van de zomer van 2008, in een wachtzaal van het Zuidstation, ietwat geïsoleerd van de hoofdgang..
Wij zien M. T. nog verschillende keren, zijn oog is genezen, hij legt ons uit dat hij van de straat zou willen geraken en een dak boven zijn hoofd zou willen vinden. Wij brengen hem in contact met een andere organisatie die hem zal helpen om de nodige stappen te ondernemen. Hij zit op een bank en praat met een straatcompagnon die wij kennen.
Vanaf mijn eerste dag op zoek naar dakloze mensen, ben ik echt geraakt door de manier waarop je hier ontvangen wordt. “Ah, goeiedag dames!” zegt Mijnheer F met een grote lach. Met een stevige handdruk nodigt hij ons uit om bij hem op de bank te komen zitten.


Het is zomer, Mijnheer P, een dertiger, zit tussen een groep daklozen die wij goed kennen. De eerste contacten met Mijnheer P verlopen moeizaam. Hij praat niet met ons en stelt ons werk in vraag, want ‘wij kunnen ons niet inbeelden wat hij doormaakt’. Na verloop van tijd en nadat wij ons verschillende keren over zijn compagnons ontfermd hebben, vertelt Mijnheer P ons zijn moeilijkheden en stilletjes aan groeit het vertrouwen. Wij zien hem regelmatig, het gebeurt dat we hem moeten verzorgen en wij vernemen dat hij ons bij andere mensen aanbeveelt.


Wij stellen ons onmiddellijk voor, hij vraagt of wij iets kunnen doen aan zijn oog. M T. toont de ernstige bloeduitstorting in zijn oog, hij vertelt ons dat hij in zijn slaap aangerand is. Hij kan zijn oog amper openen en zijn zicht is troebel. Eerst verzorgen wij het oog door een zalf aan te brengen. M.T. is ingeschreven in een medisch centrum, dus nemen wij contact op met het centrum en ook met Médecins du Monde, om een eerste medisch advies te krijgen voor het weekend.
Wij dringen aan bij M.T dat hij er naartoe moet met zijn vriend, want hij verliest zijn geheugen.
Vanaf dan woont M.T. in een gemeenschapshuis, dat onder toezicht staat van verschillende verenigingen. Wij gaan er regelmatig langs om zijn opvolging qua hygiëne te doen.




Juli, 9u. Mr. R. belt ons op ivm zijn vriend. ‘Ik ben in het station met Mr. V., zijn been is gekwetst en gezwollen, kunnen jullie eens langskomen?
10u. Wij zijn in het station, Mr. V. weet niets af van onze komst. Inderdaad, hij zou ons niet opgeroepen hebben. “Uit schrik van ons te storen!” laat hij ons weten. Wij verzorgen hem verschillende keren, Mr. V. is eerder geïntimideerd maar heel dankbaar. Beetje bij beetje groeit het vertrouwen. Mr. V. is vaak aanwezig op de afspraak die wij week na week met hem hebben, maar zijn been evolueert niet goed. Wij onderzoeken met hem de mogelijkheid om regelmatig verzorgd te worden in een medisch centrum. Mr. V is niet geïnteresseerd, wij stellen het hem verschillende keren voor. 2 maanden later komt Mr. V tot de constatatie dat zijn probleem amper opgelost raakt, hij aanvaardt deze keer om naar een medisch centrum te gaan. Er zijn er 2 in de buurt van het station, hij kiest dat centrum waar één van de straatverpleegsters werkt. Hij gaat er niet onmiddellijk naartoe. Maar op een dag vindt hij het toch goed dat we met hem meegaan. Dat verloopt goed, de dokter raadt aan om de verbanden te blijven aanbrengen maar om ook een orale medicatie toe te dienen. Een week later zien we hem terug, zijn been is al veel beter, zijn moraal ook. Want Mr. V. heeft een dak boven zijn hoofd gevonden en een job! Eind september is zijn been genezen. Mr. V. heeft geen zorgen meer nodig.


Wij merken haar meteen op, ze steekt de Koningstraat over, gewikkeld in haar vuile dekens. Haar haren zijn in de war en haar gekwetste tenen steken door haar schoenen met gaten. Ze begeeft zich naar een bank en zet zich daar neer, met een koffietje in de hand. Wij gaan naar haar toe en groeten haar. Heel beleefd groet zij ons met een grote glimlach. ”Hallo dames! Zijn jullie met vakantie? Wat een mooi weer hé! Nog een fijne namiddag, tot ziens! Het lijkt erop dat ze alleen wil blijven. Maar wij maken ons zorgen over haar toestand. Wij hervatten de conversatie en leggen uit dat wij verpleegsters zijn en dat wij haar gekwetste voeten verzorgen. Zij verzet zich hier onmiddellijk tegen. “Met mij gaat alles goed, bedankt en tot ziens!” Wij gaan discreet uit de buurt. Bezorgd om haar situatie die zichtbaar delicaat is, contacteren wij 2 straatverenigingen. Een van deze kent deze dame en vertelt ons ook dat zij het moeilijk heeft tijdens ontmoetingen. Wij blijven deze patiënte zien en geleidelijk aan vertelt ze ons een paar dingen. Maar dit heeft tijd nodig, veel tijd. Misschien aanvaardt zij ooit dat we haar verzorgen…

Wij kennen Mr. M. sinds de start van de VZW. Hij zit altijd op dezelfde plaats met zijn hond, zijn talrijke dekens en één of andere vriend. In het begin was hij heel wantrouwig. Gaandeweg is het contact met hem vlotter verlopen en is hij meer op zijn gemak. Echter, zelfs wanneer de contacten heel gemakkelijk verlopen, wilde Mr. M. zich nooit laten verzorgen, noch ons vergezellen om een douche te nemen. Hoewel hij heel jong is, lijdt Mr. M aan verslaving en alcoholisme, wat zijn toestand in het algemeen erg verslechterd heeft. Wij maakten ons zorgen over zijn gezondheidstoestand. Maar, een maand geleden, deels dankzij zijn vrienden, heeft hij toegestaan om zich voor de eerste keer te laten verzorgen. Nadat we hem gebracht hebben, gewassen en verzorgd, werd het vertrouwen groter en groter. En 2 dagen later wilde hij zich opnieuw laten verzorgen! Sindsdien vergezellen wij hem elke week en hopen, dat hij het idee om zich te laten hospitaliseren zal aanvaarden.….



Maandag 10u, Centraal Station, onze VZW bestaat nog niet lang. Wij ontmoeten een groep van ongeveer 10 personen. Wij kennen al enkel mensen en ze zitten in een roes. Wij stellen ons aan allen voor. Eén van hen, Mr. M, heel wantrouwig, bekijkt ons niet, hij blijft in het midden van de anderen zitten en bekijkt ons. Op het moment dat we willen doorgaan, roept Mijnheer M ons en vraagt ons op een droge wantrouwige toon: “En waarom zouden jullie dat doen?” Hij toont ons zijn arm, er zitten 3 zwaar geïnfecteerde wonden. Wij geven hem heel rustig een verband, maar we voelen goed dat hij ons aan het testen is. Twee dagen later, zijn wij in de Madeleinestraat en mijnheer M roept ons: “Hey, meisjes, kom eens kijken, dat is schitterend! Het gaat beter! Doe dat nog maar eens!” Verschillende keren hebben wij een nieuw verband gelegd, we nemen hem mee naar het ‘fontein’ en dan eens genezen, hebben we hem niet meer gezien. Zes maanden later is mijnheer M uit zichzelf naar het Fontein gekomen. Hij zag dat het ging herbeginnen en hij wilde eerst komen! “Ah ja, beter voorkomen dan genezen!” zegt hij lachend.

Wij zijn aan de Beurs. Van ver zien we een man en een vrouw, die we nog niet kennen, de man loopt met krukken. Wij gaan voorzichtig op hun af. Na een wederzijdse glimlach stellen we ons voor. Vooraleer we de kans hadden om onze naam te zeggen antwoordt hij: “Oh, maar ja, jullie zijn de verpleegsters! Mijnheer M heeft mij over jullie verteld. Hij is genezen. Ik daarentegen, ik moet jullie iets tonen.” Wij hebben mijnheer F geholpen, die nu papa gaat worden. Wij proberen de mama te volgen, maar we komen ze niet vaak tegen.

Sinds de oprichting van de VZW zien wij Mijnheer B aan het Centraal Station, nabij de Ravensteingalerij, met de anderen. Altijd heel beleefd en respectvol zegt hij ons: “Het gaat, zoals gewoonte.” Wij dringen niet aan, tot op een dag, wanneer mijnheer B slaapt. Een vriend zegt ons dat hij ziek is. Hij heeft een probleem met zijn voet. Mijnheer B heeft geen kousen, zijn jeans is een beetje te kort en wij zien ernstige wonden aan zijn enkels. Hij wordt wakker, wij praten met hem en hij toont ons nog andere plaatsen die gekwetst zijn. Dit lijkt op een hevig ontstoken vorm van schurft, maar de wonden zijn zo groot…? Met zijn akkoord contacteren wij het gezondheidscentrum van de Spiegel. Wij mogen onmiddellijk komen, er is een dokter beschikbaar om hem direct te onderzoeken. Na het doktersbezoek gaan we naar Het Fontein om hem volledig te verzorgen. Gedurende 2 maanden komt mijnheer B zich dagelijks laten verzorgen bij Het Fontein. Wij weten nog altijd niet waarom hij die wonden niet vroeger getoond heeft. Misschien omdat hij ons niet voldoende vertrouwde en dat hij niet besefte dat wij hem echt konden helpen. Sindsdien heeft Mijnheer B ons al opgeroepen voor een vriend met dezelfde problemen.




Mevrouw B is 74 jaar en wij kennen haar al lang, ze komt elke dag naar Het Fontein, om te praten, haar douche te nemen en haar verband aan haar been te laten verversen. Het gaat steeds slechter en slechter met haar, komt minder en minder en dan plots helemaal niet meer. In samenwerking met Het Fontein hebben wij besloten om tot bij haar te gaan. Haar broer verwittigt ons dat ze ons niet binnen gaat laten omdat ze beschaamd is om te tonen hoe zij woont. En dan komen we voor haar deur, kinderen amuseren zich door een bal tegen haar raam te gooien en ze vragen ons wanneer ze weggaat…. De stad moet haar appartement sluiten, want de slechte hygiëne is onbeschrijfelijk. Ze heeft nog 15 dagen de tijd om alles schoon te maken maar er komt geen schot in de zaak. Mevrouw B hoort ons roepen, ze herkent ons, opent de deur voorzichtig om haar vier katten niet te laten ontsnappen. We praten binnen maar aan de deur met haar, omdat we de mogelijkheid niet hebben om een voet te verzetten, uit angst om op iets te trappen dat ze nog zou kunnen gebruiken. Mevr. B is een beetje ziek. Ze raapt alles op wat ze op de grond vindt, ze steekt dit in haar zak, haalt het eruit, herleest het en neemt het mee naar huis. Een oud metro ticket, een etiket van een fles, een papiertje dat glinstert in de zon, een stuk stof dat zacht aanvoelt, een etiket van een kledingstuk… We zien haar alleen tussen een immense stapel vuil en afval en een penetrante stank. Wij zijn niet daar om de staat van haar appartement na te kijken maar om te zien hoe het met haar gaat. Ze zegt ons dat ze depressief is, dat het helemaal niet goed met haar gaat, dat ze absoluut een psychiater moet zien en dat ze medicijnen nodig heeft. Ze is bang want ze moet weg en ze weet niet waar naartoe. Wij stellen haar voor om samen naar een psychiater te gaan want zij wil dat wij bij haar blijven tijdens de consultatie, daarna gaan we samen met Mevrouw B enkele opvangtehuizen bezoeken. Een rust- en verzorgingstehuis lijkt ons het beste, ze kan daar haar katten meenemen, maar niet alle 4, ze mag er 2 meenemen, niet meer. We moeten de 2 jongste katten naar “het beste” kattenasiel voor verwaarloosde katten brengen. Mevr. B zit nu in dat rust- en verzorgingstehuis, er zijn dagelijks verpleegsters, er komt elke donderdag een arts langs, er is een tuin en zelfs een tv. In 2 woorden, mevr. B is goed bijgekomen en wanneer we haar bezoeken ontvangt ze ons met een brede glimlach in haar kamer. Er liggen geen papiertjes meer, enkel twee of 3 voor haar katten om mee te spelen. Mevr. B iso ook bevriend met haar buurvrouw die 92 jaar oud is.

©Straatverplegers